En savoir plus?
Hoe wordt MS vastgesteld?
Geen enkel van de hoger beschreven symptomen treedt enkel op bij MS. Cerebrovasculaire accidenten, tumoren of infecties kunnen dezelfde stoornissen veroorzaken wanneer zij dezelfde gebieden in hersenen en ruggenmerg aantasten. Daarom vereist de diagnose van MS ook het uitsluiten van andere neurologische aandoeningen. Toen artsen nog niet beschikten over nauwkeurige beelden van hersenen en ruggenmerg, was het vaststellen van MS een groter probleem dan nu. Voorheen werd de diagnose van MS vnl. gesteld op basis van het verhaal van de patiënt en het klinisch onderzoek. De criteria voor de diagnose houden in dat je minstens twee vastgestelde neurologische episodes moet doorgemaakt hebben, onderscheiden in de tijd, en veroorzaakt door minstens twee verschillende aangetaste gebieden van het centraal zenuwstelsel.
Deze criteria geven de natuurlijke geschiedenis weer van de relapsing vormen van MS. Progressieve MS kan gediagnosticeerd worden in de afwezigheid van een andere neurologische aandoening na een geleidelijke verslechtering van de neurologische symptomen over een periode van één jaar. Deze criteria werden recent aangepast. De diagnostische onderzoeken bestaan uit magnetische resonantie-beeldvorming (kernspintomografie), onderzoek van de zenuwgeleiding doorheen het centraal zenuwstelsel en onderzoek van het cerebrospinaal vocht (abnormale eiwitten en cellen).
De vroegere aanwijzingen voor de MS-diagnose worden nu dus aangevuld met beeldvorming en laboratoriumonderzoek. Toch is geen enkel onderzoek op zich bewijzend voor de diagnose. De klinische context blijft bijzonder belangrijk. Vandaar dat het nodig is dat de diagnose van MS steeds gesteld of bevestigd wordt door een neuroloog, een arts die gespecialiseerd is in ziektes van het zenuwstelsel. De resultaten van de uitgevoerde onderzoeken moeten voorzichtig geïnterpreteerd worden in het licht van het verhaal, de symptomen en het klinisch onderzoek van elke persoon.
Zelfs een ervaren arts kan soms moeilijk het onderscheid maken tussen de verschillende neurologische aandoeningen die lijken op MS. Soms worden ook andere neurologische aandoeningen vastgesteld bij het overlijden van personen met MS. In een beperkt aantal gevallen worden typische MS-letsels aangetroffen in de hersenen van overleden personen die nooit symptomen van MS vertoond hebben tijdens hun leven. Het is belangrijk aan de mogelijkheid van MS te denken bij personen met atypische symptomen, zodat onnodige, dure en mogelijk zelfs schadelijke behandelingen gestart worden voor een verkeerde aandoening.
Welke onderzoeken worden uitgevoerd bij MS?
Kernspintomografie (magnetische resonantiebeelden)
De meest revolutionaire vooruitgang bij het onderzoek van het centraal zenuwstel, bestaat uit het beeldvormingonderzoek van hersenen en ruggenmerg door middel van magnetische resonantietechnieken. Bij MS worden de kleine wittestofletsels duidelijk zichtbaar. (zie figuur 5) Het kernspintomografisch onderzoek helpt ook in het bepalen van de ziekteactiviteit van MS. Het aantal, de grootte en de plaats van de letsels kunnen precies bepaald worden. Bij het toedienen van contraststof kan een onderscheid gemaakt worden tussen actieve en niet-actieve ontstekingshaarden. De techniek is bijzonder interessant in het onderzoek naar nieuwe behandelingen omdat het de onderzoekers toelaat de ziekteactiviteit te vergelijken tussen behandelde en onbehandelde individuen.
Geëvoceerde potentialen
Door middel van elektrische stimulatie van de zintuigen (oog, oor, gevoel in de vier ledematen), wordt nagegaan of deze prikkels normaal doorgegeven worden, vanaf het punt waar ze toegediend worden tot in het centraal zenuwstelsel.
De onderzoeken bestaan uit het aanbieden van opeenvolgende stimuli met enerzijds een veranderend visueel patroon, dat in het gezichtsveld wordt geplaatst, anderzijds een serie van geluiden die aan elk oor wordt gegeven en tenslotte een kleine hoeveelheid elektriciteit aan de vingers of de tenen. Bij geleidingsstoornissen in het kader van demyelinisatie is er meer tijd nodig om dergelijke elektrische boodschappen door te geven.
Geëvoceerde potentialen geven bijkomende informatie, zeker wanneer het kernspintomografisch onderzoek van de hersenen normaal is. Zij komen voornamelijk in aanmerking om geleidingsstoornissen t.g.v. MS-laesies in het ruggenmerg of t.h.v. de nervus opticus aan te geven. Deze worden kernspintomografisch immers minder goed weergegeven, aangezien het hier kleinere oppervlakten betreft. Voor het aantonen van demyelinisatie in de nervus opticus zijn de visueel geëvoceerde potentialen erg gevoelig. Vaak is de demyelinisatie niet voldoende om visuele klachten bij personen met MS te veroorzaken. Hetzelfde geldt voor laesies t.h.v. de centrale gevoelsbanen. Auditief en somatosensorieel geëvoceerde potentialen kunnen abnormaal zijn, zelfs wanneer deze zones normaal voorkomen op de KST hersenen.
Cerebrospinaal vochtonderzoek
Het cerebrospinaal vocht omgeeft hersenen en ruggenmerg. Aandoeningen van het centraal zenuwstelsel worden er vaak in weerspiegeld. Dit is ook het geval bij MS. Bepaalde afwijkingen in het cerebrospinaal vocht wijzen op de aanwezigheid van ontsteking in het centrale zenuwstelsel. Deze abnormaliteiten kunnen zowel de aanwezigheid van witte bloedcellen, betrokken in de ontsteking, als de eiwitproducten van deze cellen betreffen. In MS is het aantal witte bloedcellen in het cerebrospinaal vocht soms licht gestegen. Kenmerkend is evenwel de aanwezigheid van ontstekingseiwitten, zogenaamde antistoffen of immunoglobulinen. De aanwezigheid van deze stoffen in het cerebrospinaal vocht en hun afwezigheid in het bloed geeft aan dat zij aangemaakt worden in het centraal zenuwstelsel. Zowel de hoeveelheid (IgG index) als de eigenschappen van deze eiwitten (oligoclonale banden) verwijzen naar het ontstekingsproces in het centraal zenuwstelsel.
MS als ziekte van het immuun stelsel
Normaal gezien is het immuun stelsel in staat om een onderscheid te maken tussen infectieorganismen (zoals bacteriën en virussen) of vreemde materialen (zoals een getransplanteerd orgaan) en lichaamseigen organen of weefsels. Vreemde materialen of infectieorganismen worden aangevallen en uitgestoten. Hoe dit juist verloopt is een complex en fascinerend gebeuren. Tijdens dit proces passen de witte bloedcellen zich voortdurend aan, zodat zij infectiehaarden of kankercellen kunnen herkennen. Zij veranderen receptoren op hun oppervlakte en maken verschillende eiwitten aan, al naargelang de noodzaak.
Wetenschappers hebben het immuunsysteem leren activeren via een vaccinatie, om zo het lichaam te verdedigen tegen mogelijk gevaarlijke infecties. Maar als het immuunsysteem te actief is en de witte bloedcellen sommige weefsels verkeerdelijk herkennen, dan volgt er schade aan de lichaamseigen cellen. In normale omstandigheden wordt het immuunsysteem in evenwicht gehouden. Witte bloedcellen die te actief zijn, worden vernietigd. Als dit niet gebeurt, ontstaat er een auto-immuunziekte. Het immuunsysteem "verdraagt" in dat geval een bepaald orgaan of weefsel niet meer.
In MS "verdraagt" het immuunsysteem de myeline in het CZS niet meer zoals voorheen. Witte bloedcellen worden actief, gaan doorheen de bloed/hersenbarrière en richten zich tegen de myeline. Sommige witte bloedcellen herkennen de myeline niet als een lichaamseigen stof, andere maken antistoffen tegen de myeline en nog andere vernietigen de myeline. Een bepaalde klasse van witte bloedcellen zal dit ontstekingsproces dan weer afremmen en zo bijdragen tot het herstel.
Om een beter begrip te krijgen van het immuunproces in het algemeen en bij MS in het bijzonder, worden heel wat studies uitgevoerd bij dieren. Dieren ontwikkelen geen MS, maar kunnen wel EAE, experimentele allergische encefalomyelitis, ontwikkelen, een diermodel dat gelijkenissen vertoont met MS. Vooraleer medicatieschema's bij personen met MS getest worden, worden eerst heel wat proeven bij dieren uitgevoerd.