Nationaal Multiple Sclerose Centrum v.z.w. - Behandelcentrum voor personen met MS

  • Home
  • MS de ziekte
  • Het centrum
  • Pratische info
  • Zorgaspecten
    • Wat is MS?
    • Vermoeidheid-pijn
    • Soepelheid-beweging
    • Cognitieve problemen
    • Blaasproblemen
    • Darmproblemen
    • Doorligwonden
    • Lichaamsoefening
    • Stress-verwerking
    • Voeding
    • Slikproblemen
    • Communicatie
    • Ademhaling
    • Seksuele problemen
    • Alternatieve g.
    • Werk
    • Autorijden
    • Woning
    • Ontspanning
    • Hulpverlening
    • Adressen
    • Woordenlijst
    • Medicatie
  • Nieuws
  • Contact info
  • Links

Zorgaspecten

Verklarende woordenlijst

Abductorspier: spier die dient om een lidmaat te bewegen in een zijwaartse richting weg van de lichaamsas (bijv. de abductoren van de beenspieren worden gebruikt om de benen te spreiden).

ACTH (adrenocorticotroop hormoon): ACTH wordt gewonnen uit de hypofyse van dieren of wordt synthetisch vervaardigd. Het ACTH stimuleert de bijnieren om corticosteroïden of bijnierschorshormonen vrij te geven. Deze hormonen hebben een ontstekingsremmende werking; ze verminderen ook oedeemvorming en andere tekens van ontsteking. Gegevens uit de beginjaren 70 tonen aan dat ACTH de duur van een opflakkering van MS kan verminderen. Meer recent heeft men vastgesteld dat synthetisch geproduceerde bijnierschorshormonen (bijv. cortisone, prednisone,…) die rechtstreeks kunnen worden toegediend zonder gebruik te maken van ACTH veel krachtiger zijn. Ze veroorzaken minder zoutretentie en kaliumverlies en hebben een veel langere werking dan ACTH.

Activiteiten van het dagelijkse leven (ADL): alle activiteiten die dagelijks terugkeren en van belang zijn voor de primaire fysieke zelfstandigheid. ADL omvat elke dagelijkse activiteit die een persoon uitvoert m.b.t.

  • zijn zelfzorg (eten, zich wassen, zich kleden, zichzelf verzorgen).
  • zijn job.
  • zijn huishouden.
  • zijn vrije tijd.

De bekwaamheid om deze activiteiten te verrichten wordt vaak als maatstaf gebruikt om de graad van handicap bij MS te bepalen.

top

Acuut: plotseling beginnend, snel verlopend, niet chronisch.

Adductorspier: spier die dient om een lidmaat naar het lichaam toe te bewegen in de richting van de hoofdas van het lichaam (bijv. de adductoren van de beenspieren worden gebruikt om de benen te sluiten).

Afferent pupildefect: een abnormale reflexreactie op licht die wijst op een zenuwbeschadiging t.g.v.een oogzenuwontsteking. Normaal gezien gaat een pupil versmallen wanneer er met een licht in het oog geschenen wordt; zowel de pupil van het oog waarin geschenen wordt (= directe respons) als die van het andere oog (= indirecte respons) zal versmallen. Bij een afferent pupildefect merkt men een relatieve minde¬ring in de directe respons. Dit kan duidelijk worden aangetoond met een bepaalde test de z.g.n. “swinging flashlight test”. Het is een test waarbij eerst met een flitslicht in het zieke oog, daarna in het gezonde en nadien weer in het zieke oog wordt geschenen. Men merkt dan dat de pupil van het zieke oog breder wordt i.p.v. smaller.

Antigenen: lichaamsvreemde stoffen die het vermogen hebben in het lichaam antistoffen op te wekken. Meestal gaat het om infectieuze of toxische stoffen.

Antilichamen of antistoffen: eiwitten van het immuunsysteem die opgelost zijn in bloed-serum of andere lichaamsvochten en die geproduceerd zijn als reactie op bacteriën, virussen en andere antigenen.

Aspiratie: inhalatie van voedselpartikels of vloeistoffen in de longen.

Aspiratiepneumonie: slikpneumonie, longontsteking door aspiratie.

Ataxie: coördinatiestoornis, vnl. bij het lopen ;onzekere gang veroorzaakt door gebrekkige samenwerking van de spieren bij aandoeningen van het centrale zenuwstelsel.

top

Atrofie: teruggang in de voedingstoestand der organen waardoor deze verkleinen of verschrompelen. Atrofie kan ontstaan door ziekte of ongebruik.

Auto-immuunziekten: ziekten waarvan het ontstaan in vele gevallen wordt toegeschreven aan het vormen van antistoffen tegen eigen lichaamsweefsel. Multiple Sclerose wordt samen met lupus erythematodes, reumatoïde artritis, scleroderma en nog tal van andere ziekten tot de auto-immuunziekten gerekend. De juiste oorzaak en de fysio-pathologische processen van deze aandoeningen zijn onbekend.

Autonoom zenuwstelsel: gedeelte van het zenuwstelsel dat de onwillekeurig (buiten de wil om) functionerende organen verzorgt, zoals die van de spijsvertering, de bloedsomloop, de ademhaling, de stofwisseling, enz. , alsook de endocriene klieren. Het autonoom zenuwstelsel, ook vegetatief zenuwstelsel genoemd, beslaat twee werkingsgebieden:

  • sympathisch zenuwstelsel: zorgt voor versnelling van het hartritme, verhoging van de bloeddruk,….
  • parasympathisch zenuwstelsel: zorgt voor vertraging van het hartritme, verhoogde darm- en klieractiviteit en voor sluitspierrelaxatie.

Babinskireflex: het omhoog bewegen van de grote teen (d.w.z. een abnormale zoolreflex) en spreiding van de overige tenen bij prikkeling van de voetzool met een puntig voorwerp.

B-cel: een type witte bloedcel die aangemaakt wordt in het beenmerg en die antistoffen aanmaakt.

Bell’s palsy: een aangezichtsverlamming of facialisparalyse die kan optreden t.g.v. MS, een virale infectie of andere infecties. Deze verlamming ontstaat meestal acuut; ze kan blijvend of van tijdelijke aard zijn.

Beroepsrehabilitatie: een dienstenprogramma ontworpen om mensen met handicaps in staat te stellen werk te vinden of aan het werk te blijven. Een dergelijk dienstenprogramma omvat o.a. training, beroepsbegeleiding, follow-up, .... Blaasledigingsstoornis: een type van neurogene blaasstoornis bij MS t.g.v. demyelinisatie in het reflexcenter (t.h.v. ruggenmerg) dat instaat voor de blaaslediging. De blaas gaat de neiging hebben om overvol te geraken en wordt slap. Dit kan leiden tot symptomen zoals urgency, hesitancy, nadruppelen en incontinentie.

top

Blaasvullingsstoornis: een type van neurogene blaasstoornis bij MS t.g.v. demyelinisatie van de zenuwbanen die lopen tussen het ruggenmerg en de hersenen. In dit geval vinden we een kleine spastische blaas en volgende symptomen: urgency, frequency, incontinentie en nycturie (verhoogde urineuitscheiding ’s nachts).

Bloedhersenbarrière: een semipermeabele cel rondom de hersenbloedvaten en het ruggenmerg die voorkomt dat grote moleculen, immuuncellen; potentieel schadelijke stoffen en ziekteverwekkende organismen (bijv. virussen) vanuit de bloedstroom naar het centraal zenuwstelsel kunnen migreren.

Brainstem auditory evoked potentials (BAEP): een test waarbij de elektrische hersenactiviteit als respons op een auditieve prikkel wordt geregistreerd d.m.v. een electro-encefalogram en geanalyseerd m.bijv. een computer. Demyelinisatie geeft vaak een vertraging van de respons. Deze test kan soms nuttig zijn bij de diagnose van MS. Hij biedt de mogelijkheid om de aanwezigheid van een al dan niet verdacht letsel te bevestigen. De BAEP is minder nuttig bij de diagnose van MS dan de visual evoked potential en de somatosensory evoked potentials.

Catheter: een hol, flexibel buisje, vervaardigd uit plastic of rubber dat doorheen het urinekanaal in de blaas gebracht wordt om urine uit de blaas te laten weglopen.

Cat-scan: een niet-invasieve diagnostische radiologische techniek die toelaat weke delen (d.w.z. anders dan bot/kraakbeen) te onderzoeken. Een computer verwerkt de door x-stralen gemaakte sneden van een bepaald orgaan tot een beeld.

Centraal zenuwstelsel: deel van het zenuwstelsel dat bestaat uit de hersenen,de gezichtszenuwen en het ruggenmerg.

Cerebellum of de kleine hersenen: deel van de hersenen gelegen boven de hersenstam dat instaat voor het evenwicht en de coördinatie van de bewegingen.

Cerebrum of de grote hersenen: de beide hersenhemisferen verantwoordelijk voor motorische activiteit en het denken.

Chronisch: niet acuut, van lange duur. De term wordt vaak gebruikt om aan te geven dat een ziekte geleidelijk aan achteruitgaat.

Clonus: zich snel herhalende ritmische samentrekkingen van een spier of een spiergroep. Het is een teken van spasticiteit dat ontstaat wanneer men de tenen op de grond plaatst bij een lichtjes gebogen knie.

Cognitie: hogere hersenfuncties die bestaan uit volgende functies: begrips-en spraakvermogen, rekenvermogen, geheugen, aandachtsvermogen en functies zoals plannen, probleemoplossing,...

top

Cognitieve revalidatie: technieken ontworpen om het functioneren van individuen, wiens cognitieve functie gestoord is t.g.v. ziekte of een trauma, te verbeteren. Cognitieve revalidatie wordt verstrekt door psychologen, neuropsychologen, logopedisten en ergotherapeuten. Elk van deze therapeuten gebruikt zijn eigen technieken en behandelingsstrategieën, maar ze hebben allen hetzelfde doel, nl. het verbeteren van de persoonlijke vaardigheden opdat het individu zo onafhankelijk en zo veilig mogelijk zou kunnen functioneren, thuis en op het werk.

Cognitieve stoornis: veranderingen in cognitieve functie door ziekte of trauma. Bij ± 50 - 60 % van de personen met MS treden in min of meerdere mate cognitieve stoornissen op. Het gaat vooral om stoornissen van het geheugen, van informatieverwerking en van uitvoerende functies.

Condoomcatheter: hulpmiddel voor mannelijke incontinentie; soort condoom dat over de penis geschoven wordt met een opening vooraan, waaraan een urinezak kan aangesloten worden.

Constipatie: verstopping. Een toestand waarbij verminderde darmbewegingen voorkomen en de ontlasting moeilijk verloopt en vaak pijnlijk is. De ontlasting is hard en droog.

Contractie: samentrekking van spieren die resulteert in de beweging van een gewricht.

Contractuur: blijvende verkorting van weefsels (spieren en pezen), waardoor verkromming ontstaat door dwangstand van één of meer gewrichten. Indien dit niet behandeld wordt kan het aangetaste gewricht zgn. bevriezen in die stand.

Coördinatie: samenwerking van verschillende spieren voor het tot stand komen van een bepaalde beweging zoals stappen, staan, ...

Corpus callósum: de grote verbinding tussen de beide hersenhemisferen, genaamd hersenbalk.

Cortex: hersenschors.

Corticosteroïden: bijnierschorshormonen; natuurlijke of synthetische hormonen die een ontstekingswerende en immunosuppressieve rol spelen in de behandeling van opflakkeringen bij MS.

Cortisone: bijnierschorshormoon m.b.t. glucose, geproduceerd door de bijnieren of synthetisch aangemaakt. Cortisone heeft ontstekingswerende en immunosuppressieve eigenschappen.

Cystoscopie: urinewegonderzoek met een cystoscoop. De cystoscoop wordt via de urethra (urinekanaal) tot in de blaas gebracht om vervolgens de urineblaas van binnen te onderzoeken.

top

Cystotomie: een chirurgisch aangebrachte opening doorheen de buikwand tot in de urineblaas. Een catheter (hol buisje) wordt doorheen de opening in de blaas gebracht om de urine uit de blaas te draineren en wordt aangesloten aan een urineopvangzak. Het is een relatief eenvoudige procedure die wordt toegepast indien een persoon een sonde nodig heeft en geen sonde doorheen de urethra mag of kan hebben.

Decubitus: bedzweer, degeneratie van weefsels t.g.v.een slechte plaatselijke doorbloeding veroorzaakt door druk-en/of schuifkrachten optredend bij te lang in bed liggen. De ulcera of bedzweren treden vnl. op op plaatsen waar botstructuren vlak onder de huid liggen, bijv. ter hoogte van.de stuit, de ellebogen, de heupen,... Dergelijke ulcera kunnen geïnfecteerd geraken en alzo een algemene verslechtering van de gezondheidstoestand teweegbrengen.

Dementie: geesteszwakte, aftakeling van de persoonlijkheid door gestadige afneming van de hogere hersenschorsfuncties. Dementie wordt gekenmerkt door een progressieve teruggang van denkvermogen, gevoelsleven, cognitieve functies, intellect en herinne¬ringscapaciteit. Bovendien gaat dementie vaak gepaard met persoonlijkheidsverande¬ringen en wordt het normaal functioneren van een individu beïnvloed.

Demyelinisatie: verdwijnen van de mergschede (myelineschede) van een zenuw wat leidt tot een gestoorde prikkelgeleiding, met als gevolg verlammingen en sensibiliteitsafwijkingen.

DESD: detrusor-externe sfincter dyssynergie.

Detrusorspier: blaasmusculatuur voor de lediging van de blaas.

Diplopie: dubbelzicht; gelijktijdige waarneming van twee beelden van hetzelfde object die het gevolg is van een falen van gecoördineerde samenwerking tussen beide ogen. Het afdekken van één van beide ogen zal het dubbelzicht doen verdwijnen.

Discus nervi optici: de plaats waar de oogzenuw overgaat in het netvlies; veroorzaakt in het gezichtsveld de blinde vlek. Een synoniem hiervoor is de papil.

Disfunctie: is elk functieverlies dat een direct gevolg is van een letsel of ziekte.

Dropvoet: aandoening waarbij de dorsale flexie van de voet onmogelijk is als gevolg van spierverlamming. Het is een zwakte van de spieren van de voet en de enkel waardoor de persoon geen normaal stappatroon vertoont, waarbij normalerwijs eerst de hiel de grond raakt en vervolgens de tenen. In dit geval raken eerst de tenen de grond en vervolgens de hiel; dit kan leiden tot evenwichtsverlies en struikelen.

Dubbel-blinde klinische studie: een studie waarbij geen enkel van de deelnemers aan de studie weet wie de testmedicatie,de controlemedicatie of een placebo krijgt. De bedoeling van dergelijke dubbelblinde opzet is te vermijden dat er onbewust vooroordelen zouden optreden. De blindheid kan opgeheven worden indien medische omstandigheden dit vereisen.

Dysartrie: uitspraakstoornis, slechte articulatie bij het spreken te wijten aan het niet goed functioneren van de spieren die instaan voor de spraak. Dysartrie wordt vaak veroorzaakt door schade aan het centraal zenuwstelsel of aan een perifere motorische zenuw.

Dysesthesie: vermindering van de gevoeligheid of overgevoeligheid voor bepaalde huidprikkels; ook ziekelijke overgevoeligheid.

Dysfagie: slikstoornis; bemoeilijkt slikken. Dysfagie is een neurologisch of neuromusculair symptoom dat kan leiden tot aspiratie van voedsel of speeksel in de luchtpijp. Dysfagie kan ook leiden tot een voedingstekort.

top

Dysfonie: gebrekkige of verkeerde stemvorming; moeilijk geluid kunnen voortbrengen, zich uitend als schorheid. Dysfonie wordt veroorzaakt door spasticiteit, zwakte en gebrek aan coördinatie van de spieren in de mond en de keel.

Dysmetrie: coördinatiestoornis veroorzaakt door letsels in de kleine hersenen. Het niet in staat zijn de juiste maat te schatten, nodig voor het uitvoeren van een beweging; afstand verkeerd schatten en daardoor misgrijpen.

Elektroëncefalografie: diagnostische onderzoeksmethode waarbij d.m.v. electroden, die aangebracht worden op verschillende plaatsen t.h.v. het hoofd, de elektrische activiteit die opgewekt wordt door de hersencellen geregistreerd wordt.

Elektromyografie: diagnostische onderzoeksmethode waarbij d.m.v.naaldjes of kleine plaatelectroden de actiestroom gemeten wordt die ontstaat bij spiersamentrekking. De test biedt tevens de mogelijkheid na te gaan in hoeverre perifere zenuwen impulsen kunnen geleiden.

Emotionele ontreddering: een toestand waarbij episodes van lachen en wenen optreden zonder aanwijsbare bespoedigende gebeurtenis. De gemoedstoestand van de persoon kan verschillen van de emotie die wordt uitgedrukt. Er wordt verondersteld dat deze toestand veroorzaakt wordt door letsels in het limbisch systeem (= een bepaald gebied in de hersenen waaraan een overwegende functie in het emotioneel-motorisch gedragspatroon van het individu wordt toegeschreven).

Enkel-voet beugel: is een beugel, meestal uit plastic, die gedragen wordt t.h.v. het onderbeen en de enkel om de enkel te steunen en een dropvoet te corrigeren.

Ergotherapeut: de ergotherapeut richt zich op het revalideren van mensen die geestelijk en/of lichamelijk ziek zijn, tijdelijk dan wel blijvend gehandicapt zijn. De ergotherapeut betrekt de patiënt bij activiteiten die methodisch worden opgebouwd en doelgericht gebruikt in specifiek gekozen situaties zodat de patiënt kan deelnemen aan het leven in al zijn facetten. Hij geeft adviezen over (en vervaardigt zo nodig) hulpmiddelen en aanpassingen die de zelfstandigheid van de patiënt kunnen vergroten, o.a. op het gebied van zelfverzorging, vervoer, huisvesting. Bovendien kan de ergotherapeut door het geven van gerichte activiteiten een belangrijke bijdrage leveren tot de behandeling van patiënten met functiestoornissen, zoals bewegingsbeperkingen, verminderde kracht, coördinatie en perceptie.

Etiologie: leer der ziekteoorzaken. Het gaat om de vatbaarheid van de patiënt, de aard van de ziekteveroorzakende agentia en de manier waarop de agentia het lichaam van de persoon binnendringen.

Euforie: een gevoel van welbehagen hebben, een goede stemming hebben, zich prettig voelen. Euforie treedt vaak op t.g.v. hersenbeschadiging.

Exacerbatie: het ontstaan van nieuwe symptomen of verergering van bestaande symptomen die tenminste 24 uur duren, vaak gepaard gaande met ontsteking en demyelinisatie in het ruggenmerg en de hersenen.

Experimentele allergische encefalomyelitis (EAE): een auto-immuunziekte gelijkend op MS die experimenteel geïnduceerd is in proefdieren. Mogelijke behandelingen voor MS worden eerst uitgetest op laboratoriumdieren met EAE met als doel de veiligheid en doeltreffendheid van een behandeling te bepalen alvorens deze op mensen te testen.

top

Extensorspasmus: een symptoom van spasticiteit waarbij de benen plots languit stijf uitgestrekt worden. Deze spasmen kunnen enkele minuten duren en treden meestal op ’s nachts in bed of bij het opstaan uit bed.

FDA: afkorting van Food and Drug Administration.

Flexorspasmus: onwillekeurige, soms pijnlijke contracties van de flexoren (buigspieren). Deze spasmen kunnen 2 tot 3 seconden duren en zijn een symptoom van spasticiteit. Vaak treden ze op tijdens de slaap maar ze kunnen ook optreden in zitpositie.

Foleycatheter:zie verblijfsonde.

Food and Drug Administration (FDA): een federaal agentschap in de V.S. dat verantwoordelijk is voor het uitvoeren van regeringsvoorschriften aangaande de fabricage en de verkoop van voedingsmiddelen, geneesmiddelen en schoonheidsmiddelen. Hun taak is voorkomen dat er onzuivere en gevaarlijke stoffen verkocht worden. Elk nieuw geneesmiddel dat voorgesteld wordt voor de behandeling van MS moet worden goedgekeurd door de FDA.

Frontaalkwabben: de grootste kwabben van de hersenen. Het achterste deel van de frontale kwab is de motorische cortex die instaat voor de willekeurige bewegingen. Het gebied van de frontale kwab dat meer vooraan ligt heeft te maken met leergedrag, oordeelsvermogen en persoonlijkheid.

Gadolinium: een chemische verbinding die kan worden toegediend tijdens een nucleaire magnetische resonantiescan, die het mogelijk maakt een onderscheid te maken tussen nieuwe letsels en reeds bestaande letsels.

Gastrocolische reflex: een massale peristaltische (gecoördineerde, ritmische contractie van gladde spieren die dient om voedsel doorheen het maagdarmkanaal te transporteren); beweging van de dikke darm die vaak optreedt 15 à 30 minuten na inname van voedsel.

Gastrostomie: zie percutane endoscopische gastrostomie.

Gecombineerde blaasfunctiestoornis: een type van neurogeen blaaslijden in MS,ook detrusor-externe sfincterdyssynergie genoemd. Gelijktijdig samentrekken van de detrusorspier en de externe sfincter. Dit leidt tot urineretentie met symptomen zoals urgency, hesitancy, druppelincontinentie en incontinentie.

Geëvoceerde potentialen: registratie van de elektrische respons van het zenuwstelsel op een stimulatie van een specifieke sensibele zenuw (bijv. oogzenuw, gehoorzenuw,...). Tijdens een test van geëvoceerde potentialen wordt de geregistreerde respons weergegeven op een oscilloscoop en geanalyseerd met behulp van.bijv. een computer. Het is mogelijk om de geregistreerde responstijd te vergelijken met een normale responstijd; demyelinisatie geeft een vertraging van deze responstijd. Geëvoceerde potentialen kunnen letsels aantonen langsheen specifieke zenuwbanen, ongeacht het feit of deze letsels symptomen veroorzaken of niet. Deze test is nuttig om de diagnose van MS te bevestigen.

Gescandeerde spraak: stokkende spraak waarbij klanken worden ingeslikt en de persoon ongewild pauzes inlast tussen lettergrepen.

Gezichtsscherpte: wordt gemeten als een fractie van een normaal zicht. Een zicht van 20/20 betekent dat een oog op een afstand van 20 voet ziet wat een normaal oog zou moeten zien op die afstand. Een zicht van 20/400 betekent dat een oog ziet op een afstand van 20 voet wat een normaal oog ziet op 400 voet.

top

Glucocorticoïden of bijnierschorshormonen: steroïdhormonen die geproduceerd worden door de bijnieren als respons op een stimulatie door ACTH van de hypofyse. Deze bijnierschorshormonen, die ook kunstmatig kunnen vervaardigd worden, hebben een immunosuppresieve en een ontstekingswerende rol in de behandeling van MS-exacerbaties. Zij beschadigen en vernietigen ook bepaalde types van van T-lymfocyten.

Handicap: lichamelijke/geestelijke beperking.

Helper T lymfocyten: witte bloedcellen die een belangrijke rol spelen in het antwoord van het immuunsysteem op een ontstekingsreactie tegen myeline.

Hemiparesis: onvolkomen verlamming van één zijde van het lichaam.

Hemiplegie: verlamming aan één zijde van het lichaam.

Hersenstam: deel van het centraal zenuwstelsel dat niet tot de hersenschors behoort.

Hersenzenuwen of craniale zenuwen: zenuwen die sensorische, motorische en parasympathische signalen doorgeven naar de hals en het gelaat. Het gaat om een groep van 12 zenuwen waaronder o.a. de nervus opticus, de nervus trigeminus (drielingzenuw). De evaluatie van de werking van de hersenzenuwen behoort standaard tot een neurologisch onderzoek.

Hiel-knie-scheentest: een coördinatietest waarbij aan een persoon gevraagd wordt om met gesloten ogen de hiel op de knie van het andere been te plaatsen en op en neer te laten glijden langsheen het scheenbeen.

Hulpmiddelen: middelen die ontworpen, geproduceerd en/of aangepast zijn om het voor een persoon mogelijk te maken een bepaalde taak te verrichten, bijv. een wandelstok, looprek, douchestoel.

Hyperbare zuurstof: een procedure waarbij een persoon zuurstof inademt onder hogere druk dan de atmosferische druk in een speciaal daartoe ontworpen kamer. Ooit heeft men gedacht dat dit een mogelijke behandeling voor MS zou zijn, maar uit verscheidene uitgevoerde dubbelblinde studies is gebleken dat deze behandeling ineffectief is voor MS.

Immunocompetente cellen: witte bloedcellen (B-en T-lymfocyten en andere) die het lichaam beschermen tegen binnendringende agentia.

Immunoglobulines: zie antilichamen.

Immunosuppressie: een algemene onderdrukking van de immuunreactiviteit. Immuno¬suppressie is een vorm van behandeling bij MS die de natuurlijke immuunrespons van het lichaam tegen de eigen lichaamsweefsels vertraagt of afremt. Voorbeelden van immunosuppressieve behandelingen die gebruikt worden bij MS zijn o.a.ciclosporine, methotrexaat,...

Immuunsysteem: een complex systeem van verschillende celtypes die het lichaam beschermen tegen ziekteverwekkende organismen en andere vreemde indringers.

Incidentie: het percentage van het aantal nieuwe gevallen van een bepaalde ziekte in een gemeenschap gedurende een omschreven periode.

Incontinentie: urine/faeces niet meer kunnen ophouden.

Intentietremor: ritmisch schudden dat optreedt wanneer men een welbepaalde beweging wil uitvoeren zoals bijv.zich uitstrekken om iets op te nemen.

Interferon: eiwit dat vrijkomt uit de cellen en fungeert als afweerstof tegen een virus; stof die in de cel wordt gevormd als reactie op en tot afweer van een primaire virale infectie en die waarschijnlijk tevens een beschermende werking biedt aan de nog niet aangetaste cellen. Interferon speelt een belangrijke rol in de celimmuniteit en het herstel van de infectie. Eén van de interferonen nl. interferon beta-1b werd in 1993 door de Food and Drug Administration goedgekeurd voor de behandeling van relapsing-remitting MS. Uit klinische studies is gebleken dat het de frequentie en de ernst van de exacerbaties met ongeveer 30 % vermindert. Een tweede interferon, interferon beta-1a, vermindert ook de frequentie en de ernst van MS-exacerbaties bij mensen met de relapsing-remitting vorm van MS, maar lijkt ook de progressie van de ziekte in te dijken. Interferon beta-1a werd in 1996 goedgekeurd als behandeling voor MS.

top

Intermittente zelfcatheterisatie (autosondage) : een procedure waarbij een persoon, op geregelde tijdstippen, een catheter inbrengt in de blaas om de urine te draineren. Intermittente autosondage wordt toegepast in geval van blaasdisfunctie om de urine die achterblijft in de blaas, na het plassen, te draineren, om blaasuitrekking te voorkomen, om nierbeschadiging te voorkomen en om de blaasfunctie te herstellen.

Internucleaire oftalmoplegie: een stoornis in de coördinatie van de oogbewegingen waarbij het oog dat naar buiten draait om zijwaarts te kijken een nystagmus (elke niet-willekeurige ritmisch heen-en weergaande beweging van de oogbol) ontwikkelt en het andere oog er niet in lukt volledig naar binnen te draaien. Dit is een neurologisch teken, waarvan de persoon zich meestal niet bewust is, dat kan worden vastgesteld tijdens een neurologisch onderzoek.

Intrathecale ruimte: ruimte rondom de hersenen en het ruggenmerg die het liquor bevat.

Intraveneus: in een ader, bijv. een injectie in een ader.

Invaliditeit: definitie van de wereldgezondheidsorganisatie; invaliditeit is een beperking of een tekort aan bekwaamheid om een activiteit te verrichten op een wijze die beschouwd wordt als normaal voor een menselijk wezen.

Kinesitherapeut: kinesitherapeuten zijn getraind in de behandeling van functiestoornissen (bijv. krachtsvermindering, bewegingsbeperking, coördinatiestoornissen, afwijkingen in houding en/of beweging). Bovendien is hun behandeling ook gericht op functionaliteitsdefecten (bijv. lopen) en algemene conditie (ademhaling, circulatie, uithoudingsvermogen).

Klinische bevinding: waarneming tijdens medisch onderzoek die weergeeft of er een verandering of aantasting van de fysische en/of mentale functies is opgetreden.

Krachtmeting: meting van de spiersterkte, wordt vaak getest tijdens een neurologisch onderzoek.

L’hermitte, teken van : vooroverbuigen van het hoofd met de kin op de borstkas veroorzaakt pijn als van een elektrische ontlading langs de wervelkolom, uitstralend in de armen en benen.

Langetermijngeheugen: de bekwaamheid om zich gebeurtenissen of mensen uit een ver verleden te herinneren. Mensen met MS hebben weinig of geen problemen met dit geheugen.

Letsel: zie plaque.

top

Leukocyt: witte bloedcel.

Living will: persoonlijk document waarin betrokkene aangeeft geen levensverlengende ingrepen te wensen in geval van een terminaal ziektebeeld.

Lofstrand kruk: een type van kruk met een steun voor de voorarm, hetgeen extra steun geeft.

Logopedist: een logopedist is een persoon gespecialiseerd in de diagnose en behandeling van spraak-en slikstoornissen. Een persoon met MS kan naar een logopedist verwezen worden voor één van deze problemen of voor beide problemen.

Lumbale punctie: een diagnostische procedure waarbij met een holle naald in het ruggenmerg geprikt wordt ter hoogte van het niveau van de 3e - 4e lumbale ruggenwervel of de 4e - 5e lumbale ruggenwervel om lumbaalvocht af te tappen. Deze procedure wordt vaak toegepast bij MS om veranderingen in de samenstelling van cerebrospinaal vocht, die karakteristiek zijn voor MS te onderzoeken. Het gaat om bijv. verhoogd eiwitgehalte, de aanwezigheid van oligoclonale bandjes, verhoogd aantal witte bloedcellen.

Lymfocyt: een type witte bloedcel dat deel uitmaakt van het immuunsysteem. Lymfocyten kunnen onderverdeeld worden in twee hoofdgroepen:

  • B-lymfocyten die afkomstig zijn van het beenmerg en antistoffen produceren.
  • T-lymfocyten die geproduceerd worden in het beenmerg en rijpen in de thymus.
  • Helper T-lymfocyten verhogen de productie van antistoffen door B-lymfocyten.
  • Suppressor T-lymfocyten onderdrukken de activiteit van de B- lymfocyten en lijken in beperkte mate beschikbaar tijdens een exacerbatie van MS.

Macrofaag: een witte bloedcel met veelvraatkarakteristieken die de bekwaamheid bezit vreemde substanties zoals bacteriën en afvalmateriaal van cellen op te nemen en te vernietigen.

Magnetic resonance imaging of magnetische resonantiescan: een diagnostische procedure die visuele beelden van verschillende lichaamsdelen produceert zonder gebruik van X-stralen. Kernen van atomen worden beïnvloed door een hoogfrequente elektromagnetische impuls in een sterk magnetisch veld. Het is een belangrijk diagnostisch hulpmiddel voor MS; het is mogelijk om wittestofletsels in de hersenen en het ruggenmerg te visualiseren en te tellen.

Marcus Gunn pupil: zie afferent pupildefect.

Minimal Record of Disability (MRD): een gestandaardiseerde methode om de klinische status van een persoon met MS te bepalen. De MRD bestaat uit vijf delen:

  • demografische informatie.
  • Neurological Functional Systems Scale (ontwikkeld door John Kurtzke) die scores toekent aan klinische bevindingen voor elk van de verschillende neurologische systemen in de hersenen en het ruggenmerg (piramidaal, cerebellair, hersenstam, sensorisch, visueel, mentaal, blaas en darmen).
  • Disability Status Scale (ontwikkeld door John Kurtzke) die één enkele samengestelde score geeft voor de ziekte van een persoon.
  • Incapacity Status Scale die een inventaris geeft van de functionele onbekwaamheden die verband houden met de activiteiten van het dagelijkse leven.
  • Environmental Status Scale die een beoordeling geeft van de sociale handicap die ontstaat t.g.v. chronisch ziek zijn.

Monoclonale antistoffen: in het laboratorium geproduceerde antistoffen die zodanig geprogrammeerd kunnen worden dat ze tegen een specifiek antigeen reageren om alzo de immuniteitsrespons te kunnen onderdrukken.

Motorische zenuwcellen: zenuwcellen van de hersenen en het ruggenmerg die het mogelijk maken om de verschillende lichaamsdelen te bewegen.

MRI: zie magnetische resonantie imaging.

Myeline basisch eiwit: eiwitten verbonden met myeline van het centraal zenuwstelsel, die bij personen met MS of met andere aandoeningen die de myeline aantasten, in een hogere concentratie (hoger dan de normale concentratie) in het cerebrospinaal vocht worden aangetroffen.

top

Myeline: een vetachtige, witte stof die in de vorm van de zogenaamde myelineschede de zenuwvezels isolerend omhult. De myeline draagt bij tot een efficiënte zenuwgeleiding; bij myelinebeschadiging (zoals bij MS) loopt de zenuwgeleiding mank of is ze zelfs afwezig. Dit kan leiden tot diverse symptomen bij MS

Myelitis transversa: ruggenmergontsteking in een dwarsvlak, een acute aanval van inflammatoire demyelinisatie die beide zijden van het ruggenmerg treft. Het ruggenmerg verliest zijn vermogen om zenuwimpulsen op en neer door te geven. Verlamming en gevoelloosheid bij aanraking worden ervaren in de benen en de romp beneden het niveau van de ontsteking.

Myelitis: ruggenmergontsteking, kan soms leiden tot dwarslesie (myelitis transversa).

Myelogram: een röntgenografisch onderzoek van de structuren in het wervelkanaal waarbij een contraststof in het ruggenmerg wordt gespoten d.m.v. een lumbale punctie.

Neurogeen: van zenuwen uitgaand.

Neurogene blaas: blaasdisfunctie gekenmerkt door een ledigingsstoornis, een vullingsstoornis of een combinatie van beide. Dit kan leiden tot symptomen zoals urinaire urgency, frequency, hesitancy, nycturie en incontinentie.

Neurologie: de leer van het centraal, perifeer en autonoom zenuwstelsel. Neurologie is de kennis van de somatische ziekten van het zenuwstelsel en hun behandeling.

Neuroloog: een arts die gespecialiseerd is in de diagnose en behandeling van aandoeningen die verband houden met het zenuwstelsel.

Neuron: zenuwcel bestaande uit een celkern en één of meer uitsteeksels genaamd dendrieten en axonen.

Neuropsycholoog: een psycholoog die speciaal opgeleid is voor de evaluatie van cognitieve functies. Neuropsychologen gebruiken een reeks van gestandaardiseerde tests om specifieke cognitieve functies te beoordelen en om domeinen van cognitieve aantasting te identificeren.

Nycturie: verhoogde urinelozing ’s nachts.

Nystagmus: oogbeving, elke niet-willekeurige ritmisch heen- en weergaande beweging van de oogbol.

Oftalmoscoop: oogspiegel, een instrument ontworpen voor inwendig oogonderzoek.

Oligodendrocyt: een celtype van het centraal zenuwstelsel dat verantwoordelijk is voor de vorming en de ondersteuning van het myeline.

Oligoklonale banden: een diagnostisch teken dat abnormale concentraties van bepaalde antistoffen aangeeft in het cerebrospinaal vocht. De aanwezigheid van oligoklonale banden in het cerebrospinaal vocht vinden we bij ongeveer 90 % van de personen met MS, maar het is niet specifiek voor MS.

Onderzoek in de klinische situatie: streng gecontroleerde studies die uitgevoerd worden om uitgebreid gegevens te verkrijgen voor de statistische evaluatie m.b.t. de veiligheid en de werkzaamheid van een bepaalde behandeling.

Ontsteking: een immunologische weefselreactie op een letsel gekenmerkt door de mobilisatie van witte bloedcellen en antilichamen, zwelling en vochtophoping.

Oogzenuwontsteking: demyelinisatie of ontsteking van de discus nervi optici en van de gezichtszenuw gekenmerkt door visusdaling (tijdelijk of permanent) en soms pijn.

Opticusatrofie: degeneratie van vezels van de gezichtszenuw gepaard gaande met verlies van gezichtsscherpte; papilatrofie.

Orthese: hulpmiddel ter ondersteuning van een bepaalde motorische functie van een lichaamsdeel, meestal aangebracht en gedragen aan het lichaam; externe mechanische ondersteuning van een deel van het lichaam (brace).

Oscillopsia: trilling van het gezichtsbeeld; continue, onwillekeurige, chaotische oogbewegingen die resulteren in een stoornis van het gezichtsvermogen waarbij voorwerpen lijken op en neer te springen en botsen.

top

Osteoporose: algemene of plaatselijke atrofie van het skelet t.g.v. een verminderde activiteit van de osteoblasten (beenweefsel-vormende cellen) en daardoor van de botopbouw, waardoor de natuurlijke afbraak van beenweefsel sterker is dan de regeneratie en het bot a.h.w. ijler wordt. De aandoening kan leiden tot pijn, skeletvervorming en spontane fracturen.

Paralyse: verlamming, volledig krachtsverlies, verlies van de mogelijkheid om een lichaamsdeel te bewegen.

Paraparese: verlamming die gedeeltelijk is betreffende de benen; onvolkomen verlamming.

Paraplegie: verlamming aan beide zijden van het lichaam; verlamming van beide benen; verlamming van de helft van het lichaam.

Parasympaticolytisch: verwijst naar de werkwijze van bepaalde geneesmiddelen; vaak gebruikt voor de behandeling van neurogeen blaaslijden. Deze geneesmiddelen verhinderen de overdracht van parasympathische zenuwimpulsen; zij verlammen de parasympathische zenuwen. Zij gaan de spasmen van de gladde spieren in de blaas verminderen.

Parese: onvolledige verlamming, zwakte van de beweging, verlamming die partieel is.

Paresthesie: stoornis in de gevoelswaarneming waarbij, zonder dat er sprake is van prikkelingen, kriebelingen, jeuk of tintelingen worden waargenomen.

Paroxismaal spasme: een plots optredende, ongecontroleerde contractie van een lidmaat die aanvalsgewijs optreedt, enkele ogenblikken duurt en dan verdwijnt.

Paroxismaal symptoom: elk symptoom dat plots optreedt (blijkbaar als respons op een bepaalde beweging of een sensorische stimulatie), dat enkele ogenblikken aanhoudt en dan afneemt. Voorbeelden van paroxismale symptomen zijn: acute episodes van trigeminusneuralgie, intense spasmen van één of meer extremiteiten aan één zijde van het lichaam, articulatiestoornissen (spraak met onduidelijke woordfragmenten vaak vergezeld van evenwichtsverlies en coördinatieverlies) en stoornissen in de gevoelswaarneming (stoornissen gaande van tintelingen tot ernstige pijn).

Peesreflexen: onwillekeurige spierbeweging die ontstaat wanneer met een reflexhamertje op een bepaalde plaats op een pees wordt geklopt. Het testen van de peesreflexen behoort standaard tot een neurologisch onderzoek.

Percutane endoscopische gastrostomie (PEG): een buisje dat doorheen de buikwand in de maag wordt gebracht om via deze weg voedsel en voedingsstoffen toe te dienen wanneer eten via de mond niet mogelijk is. De plaatsing van de sonde gebeurt d.m.v. een endoscopie via een kleine insnede in de buikwand.

Percutane rizotomie: een ambulante ingreep die wordt uitgevoerd bij de behandeling van onbehandelbare trigeminusneuralgie. De chirurg maakt een uiterst kleine insnede in het gelaat en gaat de functie van de trigeminuszenuw blokkeren d.m.v. laserchirurgie, cryotherapie of cauterisatie.

Periventriculaire streek: gebied rondom de hersenkamers. MS-plaques worden vaak in dit gebied aangetroffen.

Piramidale banen: zenuwbanen in de hersenen en het ruggenmerg die de hersenzenuwcellen verbinden met de motorische cellen. Beschadiging van deze piramidale banen kan verlamming veroorzaken.

Plaatsgevoel: de bekwaamheid om te zeggen met gesloten ogen waar vingers en tenen zich in de ruimte bevinden. Tijdens een neurologisch onderzoek bij MS wordt dit plaatsgevoel geëvalueerd.

Placebo: blindpreparaat, pseudo-geneesmiddel zonder farmacologische werking. Een placebo wordt vaak gebruikt in dubbelblinde klinische studies. In dubbelblinde studies wordt aan een groep deelnemers een placebo gegeven i.p.v. het echte geneesmiddel dat getest wordt, doch noch de patiënt noch de onderzoeker weet wie een placebo krijgt en wie niet. De bedoeling van het opzet van een dergelijke studie is de voordelen en betrouwbaarheid van de testmedicatie na te gaan d.m.v. experimentele groepen.

top

Placeboeffect: effect van een geneesmiddel dat niet toe te schrijven is aan zijn farmacologische eigenschappen; een schijnbaar gunstig therapieresultaat ten gevolge van het feit dat de patiënt verwacht dat de therapie zal helpen.

Plantair reflex (voetzoolreflex): prikkeling langs de buitenzijde van de voetzool met een puntig voorwerp van de hiel naar de tenen toe veroorzaakt buiging en spreiding van de tenen. Een opwaartse beweging van de grote teen noemt men Babinskireflex. Deze Babinskireflex is een diagnostisch verschijnsel bij aandoeningen van de hersenen of ruggenmerg.

Plaque: demyelinisatiehaard bij MS.

Plasmacel: zich uit de B-cellen ontwikkelende lymfoïde cellen die zorgen voor de productie van antistoffen.

Posturale tremor: onwillekeurig ritmisch beven dat optreedt wanneer de spieren gespannen zijn om een voorwerp vast te houden of om te blijven staan in een bepaalde positie.

Prevalentie: het totaal aantal lijders aan een bepaalde ziekte dat op een gegeven tijdstip in een bevolkingsgroep aanwezig is.

Primair progressieve MS: een vorm van MS gekenmerkt door een progressief verloop van de ziekte vanaf het begin, zonder remissies. De ziekte neemt geleidelijk aan toe.

Prognose: voorspelling omtrent het verdere verloop van een ziekte.

Prospectief geheugen: de bekwaamheid om gebeurtenissen of toekomstige afspraken te herinneren. Vaak ziet men dat dit geheugen bij MS gestoord is.

Pseudo-exacerbatie: een tijdelijke verergering van ziektesymptomen tengevolge van een stressor (bijv. een infectie, extreme vermoeidheid, constipatie) of t.g.v. lichaamstemperatuursverhoging, die verdwijnt zodra de stressor verdwenen is.

Pyurie: het lozen van pus in de urine; de urine ziet troebel; komt o.a. voor bij blaas-en nieraandoeningen.

Quadkruk: een kruk met een brede basis op vier korte poten die zorgen voor extra stabiliteit (C.V.A. kruk).

Quadriplegie: verlamming van de vier ledematen.

Recent geheugen (kortetermijngeheugen): de bekwaamheid om zich gebeurtenissen, conversaties, T.V.-programma’s van kort geleden te herinneren. Mensen met geheugenstoornissen te wijten aan MS ervaren grote moeilijkheden met dit kortetermijngeheugen.

Reflex: onwillekeurige reactie op bepaalde prikkels, bijv. kniepeesreflex (contractie van de strekspieren in het bovenbeen bij slag op de pees onder de knieschijf m.b.v. een reflexhamertje). Versterkte, verminderde of afwezige reflexen kunnen een indicatie zijn van neurologische beschadiging, inclusief MS. Deze reflexen worden daarom ook tijdens een standaard neurologisch onderzoek getest.

Relapsing-remitting MS: een vorm van MS gekenmerkt door duidelijk omschreven, acute opflakkeringen met geheel of gedeeltelijk herstel en zonder progressie van de ziekte tussen de opflakkeringen.

Remissie: vermindering van ziekteverschijnselen, zonder dat zij geheel verdwijnen, meestal tijdelijk.

Remyelinisatie: het herstel van beschadigd myeline. Myelineherstel treedt spontaan op (doch zeer langzaam) bij MS Momenteel is er research bezig naar een manier om het herstelproces te versnellen.

Residuale urine: de urine die na de lozing nog in de blaas achterblijft.

Residubepaling na mictie: een eenvoudige techniek waarbij na mictie een catheter in de blaas wordt gebracht om de resterende urine te draineren en te meten. Het is een effectieve techniek om blaasdisfunctie te diagnosticeren.

Revalidatiearts: arts die gespecialiseerd is in revalidatie.

Romberg, teken van: omvallen bij gesloten ogen en aangesloten voeten.

top

Ruggenmergvloeistof of liquor: waterige,kleurloze heldere vloeistof waarin de hersenen en het ruggenmerg baden. Deze vloeistof beschermt ook het ruggenmerg en de hersenen. De samenstelling van het liquor kan wijzigen door ziekten. Bepaalde veranderingen in de samenstelling van het liquor zijn karakteristiek voor MS en kunnen worden vastgesteld d.m.v. een lumbale punctie.

Sclerosis: ziekelijke verharding van weefsel. Bij MS gaat het om de vorming van verspreide harde plekken in hersenen en ruggenmerg.

Scotoom: donkere vlek in het gezichtsveld; partiële uitval van het gezichtsveld.

Secundair progressieve MS: een vorm van MS die initieel van het relapsing-remitting type is en nadien meer en meer progressief wordt met mogelijk af en toe een terugval en een kleine remissie.

Secundaire progressieve MS: een vorm van MS gekenmerkt door een progressief verloop, maar met duidelijke opflakkeringen (exacerbaties) met gedeeltelijk of geheel herstel.

Sensorisch: gewaarwordend, zintuiglijk, m.b.t. de zintuigen of het bewustzijn; verband houdend met lichamelijke sensaties zoals pijn, reuk, smaak,...

Sepsis: ziektetoestand waarbij ziekteverwekkende kiemen die van een primaire ontstekingshaard uit de bloed- of lymfstroom zijn binnengedrongen (bacteriëmie), zich hierin handhaven en zich vermenigvuldigen.

Sfincterotomie: een operatie waarbij de sluitspier van de blaas bij mannen wordt doorgesneden in gevallen waar de spasticiteit van deze sluitspier zo ernstig is dat ze hun blaas niet kunnen ledigen. Na de sfincterotomie worden de mannen incontinent en moeten ze een condoomcatheter dragen. Deze ingreep is zelden vereist bij MS.

Somatosensory evoked potential (SSEP): een test die de elektrische hersenactiviteit meet die ontstaat als antwoord op herhaalde milde elektrische stimuli van verschillende delen van het lichaam. Demyelinisatie leidt tot een vertraging van deze responstijd. Deze test is bruikbaar bij de diagnose van MS, hij laat toe de aanwezigheid van verdachte letsels en ook de aanwezigheid van onverdachte letsels, die geen symptomen produceren, te bevestigen.

Spasticiteit: hypertonie (verhoogde spierspanning) die spierrelaxatie voorkomt.

Sfincter: sluitspier; ringvormige spier rondom een natuurlijke lichaamsopening die door samentrekking deze opening kan vernauwen of afsluiten (bijv. anale sluitspier, sluitspier van de blaas).

Spiertonus: spanningstoestand van spieren; abnormale spiertonus kan als volgt ingedeeld worden:

  • hypertonie: verhoogde spierspanning zoals bij spasticiteit (hypertonie die spierrelaxatie voorkomt).
  • hypotonie: onvoldoende spanning van de spieren.
  • paralyse: verlamming, krachteloos zijn, volledig krachtsverlies.
  • atonie: spierspanningsverlies, spierslapte, tonusgebrek.
  • De spiertonus wordt tijdens een neurologisch onderzoek geëvalueerd.

Spirometer: een instrument dat gebruikt wordt voor de bepaling van de longfunctie.

Standataxie: de onbekwaamheid om rechtop te staan, te wijten aan een coördinatiestoornis van de betrokken spieren, die leidt tot overhellen en een neiging om in de een of andere richting te vallen.

Steroiden: zie ACTH.

Suppressor T-lymfocyten: witte bloedcellen die deel uitmaken van het immuunsysteem; antigeen specifieke t-cellen die de immunoreactie remmen.

Symptoom: klacht (van subjectieve aard), ziekteverschijnsel. De meest voorkomende symptomen bij MS zijn o.a.:

  • visusproblemen
  • vermoeidheid
  • zwakte van de ledematen
  • verlamming van de ledematen
  • tremor
  • gebrek aan coördinatie
  • evenwichtsstoornis
  • blaas-en darmproblemen
  • psychologische veranderingen

T-cel: een lymfocyt die ontstaat in het beenmerg, rijpt in de thymus en deel uitmaakt van het immuunsysteem van het lichaam.

Teken: een objectief lichamelijk probleem of abnormaliteit vastgesteld door de arts tijdens een neurologisch onderzoek. Neurologische tekens kunnen significant verschillen van de symptomen die gemeld worden door de patiënt, omdat ze enkel identificeerbaar zijn door specifieke tests en geen duidelijke symptomen veroorzaken.

Tenotomie: een onomkeerbare chirurgische ingreep waarbij pezen worden doorgesneden om ernstige contracturen op te heffen. Deze ingreep wordt pas uitgevoerd indien geen enkele andere behandeling een oplossing brengt.

Titubatie: wankelende gang, de onvaste gang (dronkemansgang) bij ziekten der kleine hersenen.

Tonische kramp: soms enkele minuten, doch vaak ook uren, dagen of zelfs weken aanhoudende gelijkmatige sterke spiersamentrekkingen waarbij de aangedane lichaamsdelen in een abnormale houding gefixeerd blijven.

Transcutane zenuwstimulatie (TENS= transcutaneous electric nerve stimulation): is een hoogfrequente elektrische stimulatie van de zenuw die wordt toegepast ter behandeling van chronische benigne pijnen. Het is een niet-verslavende, niet-invasieve methode van pijncontrole waarbij gebruik gemaakt wordt van elektroden die elektrische impulsen geven aan zenuwuiteinden. Deze elektroden zijn verbonden met een stimulator d.m.v. flexibele draden en worden op de huid aangebracht. De elektrische impulsen blokkeren de transmissie van de pijnsignalen naar de hersenen.

top

Transuretrale resectie: urologische operatietechniek m.bijv. een cystoscoop welke een elektrische lis bevat waarmee de prostaat kan worden gereseceerd.

Trigeminusneuralgie: paroxysmaal optredende, zeer heftige, kiespijnachtige pijn in het verloop van de takken van de zenuw, meestal in de tweede tak van de nervus trigeminus. De pijnen treden in aanvallen op. Het is een acute pijn in het gelaat, veroorzaakt door demyelinisatie van zenuwvezels.

Urethra: urinekanaal, urinebuis waardoor de urine van de blaas naar buiten vloeit.

Urinaire frequency: drang voelen om te urineren, zelfs wanneer men nog niet lang geleden geürineerd heeft.

Urinaire hesitancy: de onmogelijkheid om spontaan te urineren, niettegenstaande de aandrang om te urineren gevoeld wordt.

Urinaire incontinentie: zie incontinentie.

Urinaire sfincter: sluitspier van de urethra. Verlamming of verslapping van de urinaire sfincter veroorzaakt incontinentie, bij kramp van de sluitspier daarentegen kan retentie (terughouding van urine in de blaas) optreden.

Urinaire urgency: de onmogelijkheid om de mictie (het lozen van urine) uit te stellen eens de aandrang om te urineren gevoeld is.

Urinecultuur en gevoeligheid: een diagnostische procedure om urineweginfecties op te sporen en de geschikte behandeling te identificeren. Bacteriën van een midstream urinestaal worden uitgezet op een groeibodem in het laboratorium gedurende drie dagen en worden nadien getest op hun gevoeligheid voor verschillende soorten antibiotica.

Urologie: een medische specialiteit die zich bezighoudt met de mannelijke en vrouwelijke organen van het urinestelsel en de mannelijke voortplantings-organen.

Uroloog: een arts die zich specialiseert in de tak van de geneeskunde die zich bezighoudt met de anatomie, fysiologie, stoornissen en zorg voor de mannelijke en vrouwelijke urinewegen, zowel als het mannelijk genitaal systeem.

Verblijfscatheter: een type van catheter dat tijdelijk of permanent in de blaas blijft. Een verblijfscatheter wordt enkel geplaatst indien intermittente catheterisatie niet mogelijk is of medisch gecontraïndiceerd is. De meest gebruikte soort is de Foleycatheter die bestaat uit een flexibel rubber buisje dat in de blaas wordt gebracht om urine te draineren en aangeschakeld wordt aan een opvangcollector. De sonde wordt terplaatse gehouden d.m.v. een klein ballonnetje dat opgeblazen wordt nadat de sonde in de blaas geschoven is.

Vertigo: duizeligheid, evenwichtsstoornis, vaak gepaard gaande met nausea en braken. Het gaat om een onaangenaam gevoel van instabiliteit van het lichaam t.o.v. de omgeving in de vorm van draaiduizeligheid of van z.g. liftsensatie.

Vibratiegewaarwording: het kunnen waarnemen van de trillingen van een stemvork op de huid; vibratiegewaarwording wordt getest tijdens een neurologisch onderzoek.

Videofluoroscopie: een radiografische studie van het slikmechanisme van een persoon, waarbij dit wordt opgenomen op een videoband. Videofluoroscopie toont de fysiologie van de keelholte, de locatie waar de slikproblemen zich voordoen en kan bevestigen of er al dan niet voedselpartikeltjes of vloeistoffen in de luchtweg geaspireerd worden.

Vinger-neustest: een test voor het opsporen van coördinatiestoornissen en intentietremor. Er wordt gevraagd aan een persoon om met gesloten ogen het tipje van zijn neus aan te raken met de top van zijn wijsvinger. Deze test maakt standaard deel uit van een neurologisch onderzoek.

Visual evoked potential (VEP): een test die d.m.v. een elektroëncefalogram en een computeranalyse de elektrische hersenactiviteit registreert die ontstaat als antwoord op visuele stimuli (bijv. een flikkerend dambord). Demyelinisatie leidt tot een vertraging van de responstijd. Deze test is bruikbaar bij de diagnose van MS, hij laat toe de aanwezigheid van verdachte letsels en ook de aanwezigheid van onverdachte letsels, die geen symptomen produceren, te bevestigen.

Witte stof: deel van de hersenen dat door myeline omgeven zenuwvezels bevat en wit verschijnt in tegenstelling tot de hersenschors die zenuwcellichamen bevat en grijs verschijnt.

Zenuw: een bundel van zenuwvezels (axonen). Enerzijds zijn er afferente zenuwvezels die in de richting van het centraal zenuwstelsel lopen en die instaan voor de perceptie van gevoelsstimuli van de huid, gewrichten, spieren en inwendige organen. Anderzijds zijn er efferente zenuwvezels die van het centraal zenuwstelsel wegvoeren en die bemiddelen in de contracties van spieren of organen.

Zenuwblokkade: een procedure die gebruikt wordt om onbehandelbare spasticiteit, evenals pijnlijke flexorspasmen, te verlichten. Er wordt fenol ingespoten in de aangetaste zenuw. De fenolinjectie zal gedurende ± 3 maanden effect hebben en geleidelijk aan het comfort en de mobiliteit van de persoon verhogen.

Zenuwstelsel: het zenuwstelsel bestaat uit:

  • het centraal zenuwstelsel dat bestaat uit de hersenen, het ruggenmerg en de oogzenuwen.
  • het perifeer zenuwstelsel dat bestaat uit de zenuwwortels, de zenuwplexus en de zenuwen doorheen het lichaam.

top

 

W3C valid XHTML 1.0 W3C valid CSS © 2010 Nationaal Multiple Sclerose Centrum v.z.w. - Disclaimer - made by Duoh! n.v.